Tijdens de voorjaarsvergadering 2018 is een commissie in het leven geroepen,
om de Fryske Boerepream in beeld en kaart te brengen:
‘de kopkes en kontsjes fan de preammen’.
Vorm, uitstraling en alles wat hiermee samenhangt.
In de afgelopen zomer hebben de leden van de ‘Kop en Kont Kommisje’,
zoveel mogelijk preammen proberen op te meten, foto’s te maken en in kaart gebracht. Hieronder vindt U een verslag van hun bevindingen en waarnemingen.

Bevindingen van de kop/kont metingen 2018

In het bijgeleverde Excel overzicht een weergave van de metingen die wij (Klaas Postma, Ynze Bouma, Peter Tolsma) verricht hebben op de pramen die deze zomer aan de wedstrijden hebben deelgenomen. Onder de tabel staan de verklaringen van de verschillende afkortingen zoals gebruikt.

Naar het zich laat aanzien bevinden alle verschillen zich tussen de volgende verhoudingsquota.

De quota zijn een weergave van de gemeten grootte van de overhang gedeeld door de hoogte van de overhang tot op de waterlijn: OV : HV resp. OA : HA.. Dat lijkt vooralsnog  een juiste identificatie te geven van de verschillen zoals die mede bepalend zijn voor de rompsnelheid.

De verschillen liggen tussen de 0,598 (no 44 Reidplûm) en de 1,12 (no 35 Sietse) voor wat betreft de kop. De gemiddelde heffingscoëfficiënt voor is: 0,859 (een heffingscoëfficiënt van 1 zou betekenen dat de schuinte van de voorsteven 45 graden is)

Voor de kont liggen die verschillen tussen de 0,605 (no 44 Reidplûm) en de 1,013 (no 8 Swarte Swan).

De gemiddelde heffingscoëfficiënt is hier: 0,89.

Daarnaast geven de breedteverschillen en het verloop van de breedte over het gehele schip een andere identificatie voor de rompsnelheid. Het grootste verschil daarbij geeft no 29 Gerrit Uiltjes aan (0,46 m.). Het geringste verloop heeft no 22 Symen Durk (0,11 m.) Gemiddeld komt dat neer op 0,275 m.

Overhang vóór

Een voorstel zou kunnen zijn dat de grootte van de overhang voor moet liggen tussen de 1,03 m en de 0,55 m, terwijl de hoogte van de overhang tot op de waterlijn moet liggen tussen de 1,02 m en de 0,80 m. terwijl de heffingscoëfficiënt vóór niet onder de 0,555 mag liggen. Een maximale coëfficiënt hoeft niet te worden gegeven omdat deze altijd nadelig voor de rompsnelheid is.

Overhang achter:

Voorstel kan zijn dat de grootte van de overhang achter moet liggen tussen de 0,43 m. en de 0,75 m., terwijl de hoogte van de overhang achter tot op de waterlijn moet liggen tussen de 0,64 m. en de 0,90 m. terwijl de heffingscoëfficiënt achter niet onder de 0,600 mag liggen. Een maximale coëfficiënt hoeft ook hier niet te worden gegeven omdat deze altijd nadelig voor de rompsnelheid is.

Tot slot:

Alle thans varende pramen vallen nu nog binnen de marges die we genoemd hebben. Naast deze factoren is ook van belang de bolling van de kop c.q. kont. Sommige pramen hebben zgn. “koontjes”. De lijn van de bolling komt hierbij bij de steven niet haaks op de steven uit, maar valt daar nog naar binnen. Op dit moment zoeken we nog naar een manier om die bolling juist te meten, de verschillen tussen de pramen vast te leggen en ook hiervoor minimum maten vast te stellen.  

Kop en Kont 

Kop en Kont tekeningen

Weegresultaten 2017-2018

Kop en Kont – foto’s Klaas Postma zomer 2018 

 

Kop en Kont – foto’s Jan Slotboom zomer 2018 Aldegea


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *